We wonen met vier personen in een huis met een vloeroppervlak van 30 m² en in totaal zo’n 65 m² aan effectieve woonruimte. Op papier klinkt dat klein. In de praktijk voelt het juist ruim, licht en verrassend rustig, zelfs met twee jonge kinderen.
Toen we begonnen met het ontwerpen van ons huis in Drenthe, wisten we één ding zeker: klein wonen mag nooit krap voelen. Geen donkere hoekjes, geen loze ruimtes, geen overbodige spullen die plek innemen. Alles moest bijdragen aan rust, ruimte en een fijn dagelijks leven.
In dit artikel neem ik je mee in de keuzes die voor ons het verschil maken. Van licht en indeling tot slimme oplossingen en minimalisme. Geen theorie, maar wat in de praktijk echt werkt als je klein wilt wonen zonder in te leveren op comfort.

1. Binnen en buiten in elkaar laten overlopen
Als je kleiner woont maar je niet opgesloten wilt voelen, moet je alles wat buiten ligt onderdeel maken van je leefruimte. Voor ons was dat misschien wel de belangrijkste keuze in het ontwerp van ons huis.
We hebben één volledige zijde van het huis voorzien van grote ramen van vloer tot plafond. Daardoor stroomt het daglicht de hele dag naar binnen en voelt de ruimte nooit afgesloten. Zelfs op grijze dagen blijft het licht en open. Maar misschien nog belangrijker: je blik gaat automatisch naar buiten. De tuin, de seizoenen, het groen. Het zorgt ervoor dat de ruimte optisch veel groter voelt dan hij daadwerkelijk is.
Die verbinding met buiten willen we in de toekomst nog verder uitbreiden met een soort terrasoverkapping. Niet als een zware, massieve constructie die het licht wegneemt, maar juist als een verlengstuk van onze leefruimte. Iets dat beschutting geeft tegen de zomerzon, maar de openheid en daglichtinval behoudt. Denk aan een strak, minimalistisch ontwerp dat past bij de rest van het huisje, waarbij licht en zicht centraal blijven staan. Bij Tusol zagen we bijvoorbeeld mooie oplossingen die precies dat doen: bescherming bieden zonder dat het ten koste gaat van licht en ruimtelijkheid.
Want uiteindelijk draait het niet om meer vierkante meters, maar om hoe je de ruimte die je hebt laat voelen.
2. Een volle leefverdieping
Als je weinig vierkante meters hebt, kun je je geen ruimte veroorloven die eigenlijk niets toevoegt. Daarom hebben wij de benedenverdieping volledig ingericht als leefverdieping. Geen toilet, geen technische ruimte, geen grote hal. Alles draait hier om wonen, spelen en samen zijn.
Vanaf de eerste schetsen was dat ons uitgangspunt. Elke vierkante meter moest bijdragen aan hoe we hier dagelijks leven. Dat betekende ook dat we keuzes moesten maken in wat we níét deden. Functies die je minder vaak gebruikt, hebben we bewust naar boven verplaatst.
Ons huis is bovendien geen standaard rechthoek of vierkant, maar heeft een knik in de vorm. Daardoor lopen woonkamer en leefkeuken wel in elkaar over, maar voelt het niet als één grote open ruimte. Je hebt toch twee duidelijke plekken, zonder dat het afgesloten wordt.
Dat maakt het dagelijks leven met kinderen zoveel fijner. Alles is dichtbij, overzichtelijk en praktisch, zonder dat het druk of rommelig voelt. Precies wat je nodig hebt als je klein woont, maar wel comfortabel wilt leven.
3. Elke vierkante meter moet kloppen
In een kleiner huis voel je het meteen als iets niet klopt. Een onhandige hoek, een verloren stukje hal of een deur die nét niet lekker open kan, en de ruimte voelt ineens een stuk kleiner. Dat wilden we koste wat kost voorkomen.
In de eerste schetsen van de architect merkten we dat er nog ontzettend veel winst te behalen viel. Dus zijn we zelf gaan schuiven. Dagenlang hebben we getekend, opnieuw ingedeeld en alles ter discussie gesteld. Hoe loop je door het huis? Waar verlies je ruimte? En waar kun je juist winnen? Doordat wij al jaren een klein volkstuinhuisje hebben en gewend zijn op een kleine camperoppervlak te leven, wisten wij precies hoe wij ruimtes gebruiken en wat voor ons wel en niet werkt.
De positie van de trap bleek daarin verrassend bepalend. Net als het minimaliseren van halruimte. Want elke vierkante meter gang is er één die je niet kunt gebruiken om te wonen of slapen. En juist die ruimtes moeten logisch en ruim aanvoelen.
Ook de slaapkamers hebben we heel bewust ingedeeld. Er moest op een natuurlijke manier plek zijn voor een bed, zonder dat je deuren half kunt openen of je langs muren moet wringen, zoals je vaak ziet in minder goed doordachte vakantiehuisjes. Dat gevoel wilden we absoluut vermijden.
Door zo kritisch naar elke meter te kijken, voelt ons huis nergens krap. Alles klopt en voelt ruim. En dat merk je elke dag.


4. Slimme meubels maken het verschil
In een kleiner huis werken standaard meubels vaak nét niet. Ze zijn ontworpen voor grotere, rechte ruimtes, terwijl jouw huis misschien net anders in elkaar zit. Het gevolg: het past wel, maar het voelt niet lekker. Of het oogt meteen vol.
Daarom kozen wij ervoor om veel meubels zelf te maken. Niet omdat dat per se makkelijker is, maar omdat je dan precies kunt bouwen wat je nodig hebt.
Voor de kinderen maakten we bijvoorbeeld een stapelbed met daaronder kastruimte. Alles zit in één meubel, waardoor de kamer rustig blijft en toch alles heeft wat nodig is. Het voelt daardoor veel ruimer dan het eigenlijk is. Onze bank is ook zo’n voorbeeld. Die hebben we zelf gebouwd, met opbergruimte in de rugleuning én in lades eronder. Daardoor hebben we geen losse kasten nodig in de woonkamer. En dat scheelt niet alleen ruimte, maar vooral rust.
Dat is uiteindelijk de kracht van maatwerk. Je benut elke centimeter, zonder dat het vol of rommelig wordt. Alles heeft een plek, en de ruimte blijft open en prettig aanvoelen.
5. Minder spullen, meer rust
Misschien wel de belangrijkste keuze van allemaal: we hebben gewoon niet zoveel spullen.
Dat ging niet van de ene op de andere dag. Ongeveer acht jaar geleden begonnen we met ontspullen. En dan bedoel ik ook echt extreem ontspullen. Met één simpele vraag: hebben we dit echt nodig? Inmiddels voelt dat heel vanzelfsprekend en is het een automatisme.
We kopen weinig, bewaren nog minder en alles wat geen functie meer heeft, gaat weer weg. Via Marktplaats, naar vrienden, de kringloop of een weggeefgroep. Als het maar niet bij ons blijft liggen om stof te vangen.
Het effect daarvan merk je meteen. We hebben minder kasten nodig, minder opbergruimte en dus automatisch meer leefruimte. Maar misschien nog belangrijker: het geeft rust in je hoofd. Geen volle lades, geen spullen waar je ooit nog “iets mee moet”, geen visuele ruis.
Voor ons is dat de basis van klein wonen. Niet minder hebben om het minder, maar bewust kiezen wat echt waarde toevoegt. En alles wat dat niet doet, mag weer door.


Deze blog is geschreven in samenwerking met Tusol, dé specialist in minimalistische overkappingen.
